het recensentenrelletje

DM-recensZo beeldt De Morgen vrouwelijke schrijvers af: als hysterische, rancuneuze wijven. Recensenten daarentegen zijn duidelijk underdogs, die zich ternauwernood kunnen verdedigen.

De illustratie vrolijkte een stuk op over de rol van de recensent, een discussie die was ontstaan nadat ik me had laten ontvallen dat ik het nogal lullig vond dat Dirk Leyman in zijn recensie van mijn nieuwe boek onnodig de plot had weggegeven. Goed dat daar een debat uit voortkomt, denk je dan, maar wel wat vreemd dat niemand mijn mening heeft gevraagd. Ik ben tenslotte de aanleiding, en, aan de illustratie te zien, ook het onderwerp van het stuk.

Maar neen, het gesprek over mijn (on)gelijk werd onder mannen gevoerd. Vanuit journalistiek oogpunt vond ik dat nogal vreemd, en dus verzocht ik De Morgen beleefd mijn antwoord vooralsnog te publiceren. Ik kreeg niet eens antwoord op mijn vraag.

Het stuk zoals het niet gepubliceerd werd, kan je hieronder nalezen.

Prachtig, dacht ik, toen ik dit weekend De Morgen opensloeg. Blijkbaar heeft mijn aanvaring met Dirk Leyman over zijn recensie van mijn boek De kunst van het vallen een discussie over de rol van de recensent op gang gebracht. Beetje gek dat niemand mij heeft gebeld, maar het zal dan wel niet over mijn boek gaan. Het tegendeel bleek waar.

Dat het niet ‘lief’ was, opende het stuk, dat Leyman mij ‘pedant’, ‘wijdloperig’ en ‘de regisseur van mijn eigen mislukking’ had genoemd. ‘Lief zijn’ is een woord dat je voor kindjes gebruikt, en ook niet de taak van een recensent. Bovendien is ‘pedant’ zowat mijn vaste epitheton (het wordt vaak gebruikt voor vrouwen waar men voor mannen intelligent of ambitieus gebruikt), en ik heb mijn boek zeer bewust geconstrueerd, dus als Leyman het een mislukking vindt, ben ik daar absoluut de enige regisseur van. Niets van dat alles stoort me. Het feit dat iemand het boek slecht vindt evenmin. Dat schreef ik ook, in de Facebook-post waarmee alles begon.

 “Dat je als recensent mijn boek niet goed vindt, vind ik prima. Dat je het pedant noemt, eveneens. Dat je de humor er niet van ziet, tot daar aan toe. Maar dat je in een recensie volstrekt onnodig de plot weggeeft, daarmee bewijs je alleen dat je een geweldige lul bent. Want dat is een boek moedwillig beschadigen. Wie nog met plezier wil lezen, laat vandaag dus beter #DeMorgen dicht.”

Want de plot van een boek weggeven, dat doe je alleen als je een ernstige plotfout wil blootleggen. En dan nog. Als iemand de plot van Het puttertje van Donna Tartt ongeloofwaardig vindt, wat best mogelijk is, kijkt die wel uit voor hij dat verhaal zomaar weggeeft. Net zoals een televisie-recensent dat niet zal doen bij een nog niet uitgezonden reeks: hij zou meteen een proces aan zijn broek hebben. Het is waar, De kunst van het vallen is geen plotroman, maar ik heb er wel twee jaar over nagedacht wanneer en hoe ik welke informatie wil vrijgeven. Het getuigt dus op zijn minst van weinig respect omdat dat zomaar weg te geven. En Leyman had het boek net zo goed kunnen afbreken met één zin minder. Wie daaraan twijfelt, kan de recensie nalezen zoals ik ze op mijn site zette, zonder die ene zin. (Censuur, schreeuwde de recensent. Onzin. Dan had ik de slechte recensie gewoon niet op mijn site gezet, in plaats van er een feitelijke zin uit te halen en alle kritiek te laten staan. Toch?)

Intussen had de discussie zich uitgebreid naar de Facebook-pagina’s van Jeroen Theunissen en Annelies A.A. Vanbelle, en schreeuwde het hele old boys network van recensenten & journalisten in koor dat die huilerige schrijvertjes nergens tegen kunnen. En dat kritiek best scherp geformuleerd mag zijn.

De vileine toon van de recensie verraste mij nochtans niet; wat dat betreft is er al lang gewenning opgetreden. Leyman beweert trots dat hij ‘geen handpop is van de commercie’, maar tegelijkertijd ook dat hij dingen ‘pittiger formuleert’ om de lezer te plezieren. Waarbij we pittig als neerbuigend moeten begrijpen, want dat is altijd lachen. Dat een recensie daardoor niet veel meer verschilt van uitlachtelevisie, is jammer. (En een belediging aan het adres van de lezer, die misschien liever een  objectieve analyse krijgt waar hij zelf een conclusie uit mag trekken.) Veel erger is het dat de recensent dat zelf niet meer zo aanvoelt, want het over ‘onbevangen en integere’ kritiek heeft. Terwijl hij intussen keihard op de man, of vrouw, speelt in plaats van op de bal.

Want waarom is ‘Meisjes, Moslims & Motoren’ een dubieuze titel? En wat heeft mijn seksuele voorkeur met mijn schrijven te maken? Objectieve informatie, vindt de recensent. Misschien, maar niet als je het formuleert als ‘Schoeters solliciteert naar de status van lesbisch rolmodel.’ (Wat overigens flagrant onwaar is; ik heb altijd geschreven volstrekt ongeschikt te zijn voor die rol wegens niet bekend genoeg. Ik hoop dat hij mijn boek beter heeft gelezen dan mijn columns.) ‘Kom, kom’, zei Leyman. ‘Dat was een ‘goedlachse knipoog’.’

Het ergste is dat ik vermoed dat hij dat meent. Dat hij zich echt van geen kwaad bewust is. Want net zoals het bon ton is om op neerbuigende toon over (het werk van) anderen te schrijven om recensies op te leuken, is het nog steeds volstrekt normaal op paternalistische toon over vrouwen te spreken. Hun boektitels ‘dubieus’ of ‘onnozel’ te noemen. Hun ‘theorietjes’ hoogdravend. Hen met de nodige verkleinwoordjes en verwijzingen naar hun ‘idool’ Kundera als dweperige kleine meisjes neer te zetten. Of als rancuneuze, hysterische wijven, zoals op de illustratie naast het stuk dit weekend. En hen in dat stuk dan niet eens aan het woord te laten.

Seksisme, reageerden velen. Ach kom, dacht ik. Niet weer die über-feministische paranoia. Zelfs toen de heren recensenten op Tzum en Deus Ex Machina met Jeroen Theunissen in debat gingen over mijn (on)gelijk, dacht ik nog steeds: vast toevallig, dat niemand mij iets vraagt. Misschien moet ik wachten op mijn eerste Libris-nominatie, voor ik iets mag zeggen in een debat waarvan ikzelf het startpunt was. Helaas is de kans dat ik die ooit krijg statistisch bijna nul, tenzij ik voor een geslachtverandering opteer. Dat heeft niets met m/v-denken te maken, schreef Pauline Slot ooit met bittere ironie, dat komt gewoon omdat vrouwen echt niet kunnen schrijven.

Ik heb nooit geloofd dat het sekseonderscheid dezer dagen nog speelt. Maar na dit weekend twijfel ik. Want zelfs in De Morgen ontbreekt de normale, journalistieke reflex even aan de vrouw zelf te vragen waarom ze iemand een geweldige lul noemt. Blijkbaar is het in de literaire wereld zeer normaal dat drie mannen praten over waarom een vrouw kwaad is, terwijl zij intussen verder afwast, en vooral haar mond houdt. Als een vrouw slaag krijgt, zal ze er wel om gevraagd hebben.

Sowieso is het vreemd dat de illustratie schrijvers en recensenten als tegenstanders afbeeldt. Vijanden. Die elkaar naar het leven staan. Zo had ik het nog nooit bekeken. Net zoals ik behoorlijk verbaasd was over de toon waarop Mark Cloostermans Jeroen Theunissen te lijf ging, compleet met lagereschoolscheldwoorden als ‘huilebalkje’ en ‘we zullen nooit homies zijn’. Want wat draagt zoiets bij aan de literatuur? Wie wordt daar beter van? Wie heeft baat bij een geestige recensie van een halve kolom die niets zegt over het boek, maar enkel en alleen geschreven is omdat een recensent graag zijn humor wil etaleren? Is een recensie, in het ideale geval, niet bedoeld om dingen te ontdekken over een boek die je zelf niet meteen zag? Moet het geen meta-analyse zijn? Een boek kaderen in een traditie?

Ik heb recensenten en schrijvers altijd als sparring-partners gezien. Niet als vijanden. En twee decennia krijgskunst hebben mij dit geleerd: wie je partner is, doet er niet toe. Het is wat hij kan, dat telt. Niet of je elkaar aardig vindt. ‘Homies bent.’ Wie goed wil trainen, moet hard trainen. En wie hard traint, krijgt klappen. Incasseren hoort erbij. Daar wordt de kunst, of dat nu krijgskunst of schrijven is, beter van. Zolang je maar met elkaar traint, en niet tegen elkaar, en de ander raakt met als enige bedoeling hem of haar op zijn zwakke punten te wijzen. En niet je eigen kracht te etaleren. Want als je je partner harder slaat dan nodig, leert niemand nog iets bij. Het mag best hard gaan, maar dan moeten we ons wel aan de basisregels houden: never get personal & leave your ego at the door.

Share