de walkman van Miriam van Hee #beroepsgeheim #DSLetteren

04/04/2014, DSLetteren – ‘Ik heb nog altijd het gevoel dat ik moet werken tijdens de kantooruren, want dat het anders geen werken is. Dat is een soort verplichting. Dus zodra ik een halve dag de tijd heb, installeer ik mij voor de computer, en doe de documenten open waarin gedichten staan die niet af zijn. Die heb ik altijd, want dichten is niet iets wat je wat je van negen tot twaalf en van één tot vijf kan doen. Zo werkt het niet. Het is een proces dat begint met een inval, en daarna volgt een heleboel schaafwerk.’
‘Wanneer je de invallen krijgt, weet je nooit. Ik schrijf wel dingen op, ik heb meestal een boekje bij me, behalve als we aan het wandelen zijn, dan vraag ik aan mijn man om een paar woorden voor me te onthouden, en dat doet hij dan gelukkig ook, want hoezeer je ook denkt dat je iets gaat onthouden, je vergeet het toch.’
‘Als ik probeer te schrijven, luister ik vaak naar muziek. Altijd op mijn walkman. Mijn kinderen zeggen mij wel dat ik mijn de cd’s ook in mijn computer kan steken, maar dat is anders, het lijkt alsof ik die oortjes nodig heb. Alsof de muziek in mij moet dringen.’
‘Waarschijnlijk is het ook een ritueel, een soort van bijgeloof of geloof dat het beter lukt als ik die walkman bij heb. En iedereen weet ook dat ik aan het werk ben als ik rondwandel met die oortjes in, want ook wandelen is bevorderlijk voor het schrijven, dus dan laten ze mij met rust.’

MUZIEK
‘Natuurlijk is het niet om het even welke muziek ik beluister. Deze cd heb ik bijvoorbeeld meegebracht uit Mexico, waar ik was uitgenodigd op een poëziefestival; het is barokmuziek uit de kathedraal van Oaxaca, waar ik niet geweest ben, nooit ben geweest, maar iets in die muziek bevalt mij bijzonder. Dat kan een toonaard zijn, een wisseling, een motief dat terugkeert, iets waardoor ik die muziek altijd opnieuw beluister. Soms is het zelfs zo dat de muziek inhoudelijk iets met het gedicht te maken heeft, dat kan gebeuren. Muziek is heel belangrijk voor mij bij het schrijven: ik kan van elk gedicht zeggen bij welke muziek het is geschreven, of niet bij, maar met de begeleiding van welke muziek het is ontstaan.’
‘Ik heb muziek nodig die dat veld in mij aanspreekt dat kan dichten, hoe mysterieus dat ook klinkt, want wat is dat dichten dan? Maar het is alsof ik zo makkelijker dingen op papier kan schrijven, niet dat het allemaal evenveel waard is wat ik neerschrijf, maar het is toch materiaal waaruit iets kan ontstaan.’

TOON
‘Ik denk dat het muziek moet zijn die een toon heeft die ik in mijzelf ook heb, van nature, en die mijn gedichten herkenbaar maakt als een van Hee. Iemand heeft in een recensie ooit gezegd: ‘wat je van Van hee altijd herkent is haar toon.’ Daar was ik erg blij mee, en die toon zoek ik in de muziek.’
‘Zo zijn er bijvoorbeeld een paar vroege stukken van Arvo Pärt waar ik graag naar luister, Tabula Rasa en Fratres vooral, en ook Peteris Vasks, een andere Letse componist, vind ik erg interessant: melancholisch maar toch ernstig. Of Alexander Knaifel, dat is een heel boeiende Rus.’
‘Vaak gaat het om strijkmuziek, kwartetten, kamermuziek; muziek die niet zo opdringerig is dat hij alle aandacht vraag – niet al te geweldige muziek ook. Ik roep als het ware de muziek ter hulp om te schrijven, dus het gaat mij wel en niet om de muziek.’
‘Nu zit er Bach in, in mijn walkman, Die Kunst der Fuge, dat is een lange, en die ken ik ook al heel lang; dat is muziek die een rol speelde in mijn eerste, mijn vorige leven. Soms is het dus ook muziek die herinneringen oproept, en situaties van vroeger terugbrengt.’
‘Soms moet ik ook nieuwe muziek ontdekken, dan heb ik het gevoel dat het op is, dat ik het uitgeput heb en er alles heb uitgehaald dat het mij te bieden had. En dan probeer ik het eens met dingen die ik niet goed ken.’
‘Een paar maanden geleden zag ik op Canvas een uitvoering van een nogal lyrisch stuk van een Zwitserse componist die mij totaal onbekend was, Frank Martin; Pavane couleur du temps heet het stuk. De cd is spijtig genoeg nergens te vinden, ik heb het nu op mijn computer staan, maar het is helaas maar acht minuten. Dat is kort, want dan moet ik altijd weer van het gedicht afstappen om andere muziek te zoeken. Het is eigenlijk beter als het iets is dat een tijd duurt.’

REIS
‘Ik heb mijn walkman altijd bij, ook als ik op reis ga of in het buitenland ben om te schrijven. Het is nochtans geen erg handig ding: je kan er geen boxjes op aansluiten, en hij werkt op batterijen die je apart moet opladen, dus ik moet dus ook altijd de oplader meesleuren.’
‘Mijn dochter heeft al duizend keer gezegd dat ik mij een i-pod moet aanschaffen, maar ik vind dat heel omslachtig, want het kost je een hoop tijd om daar de muziek op te zetten die je wil. Toen ik naar Siberië ging heeft ze me de hare geleend, waar ze voor mij de strijkkwartetten van Sjostakovitsj op gezet had, dat was voor mij iets dat paste bij Siberië. En inderdaad, dat werkte.’
‘Misschien moet ik toch eens zo’n ding aanschaffen, want eigenlijk was het best handig. En je vindt ook niet overal batterijen.’

SCHRIJVEN
‘Ik ben een familiemens, ik kook heel graag – voor mijn ouders, mijn kinderen, mijn kleinkinderen -, dus ik stel het schrijven makkelijk uit. Als ik opdrachten krijg om gedichten te schrijven voor het Liegend Konijn of voor het Poëziecentrum, dan is dat nuttig voor mij, dan denk ik ja, ik moet dat doen en dan kan ik makkelijker een middag vrijmaken. ’s Avonds schrijf ik nooit, want bij het avondeten drink ik een glas wijn en dat is wel bevorderlijk voor invallen, maar niet voor de uitwerking. Wijn komt na het werken.’
‘Een bundel is klaar als je genoeg gedichten hebt; je voelt vanzelf wanneer een cyclus rond is. Het is een periode die in de gedichten uitgedrukt wordt, en die een geheel vormt. In geen enkele van mijn bundels van nu zou ik een gedicht van tien jaar geleden kunnen opnemen; ik ben dezelfde niet meer ik ben veranderd. Ik weet wel dat ik dat geschreven heb, maar toch is het ook iemand anders. Je techniek is veranderd, je hebt intussen ook andere schrijvers gelezen… want veel inspiratie haal ik uit wat ik lees, en wat ik gelezen heb, of de kunst die ik gezien heb, en de muziek die ik ontdekt heb, bindt zich dan met wat mijn zintuigen nu allemaal opvangen.’

MIJN RUSLAND
‘Wat van een Van hee een Van hee maakt? Dat is moeilijk te zeggen. Iemand heeft het, naar aanleiding van mijn laatste bundel Ook daar valt het licht geformuleerd als ‘lichtgevende maar ernstige poëzie’ of ‘weemoedige’, dat kan het ook geweest zijn, en dat vond ik juist. In het Russisch heb je soms een combinatie van woorden, die vaak voor iconen gebruikt wordt, een oxymoron: lichtende droefenis. Daar heb ik ook al aan gedacht.’
‘Misschien heeft die hele kennis van de Russische wereld, die landschappen, die muziek, die literatuur die ik al van jongs af aan heb ervaren, want het Russisch is mij door mijn vader aangereikt -niet dat hij Russisch was, maar hij heeft het op latere leeftijd gestudeerd -, ook bijgedragen tot die typische toon van mij. Ik zou bijna kunnen zeggen dat ik mijn eigen Rusland in mij draag, want de dingen waar ik van hield, vind je nu niet meer terug in Rusland: zoek nu de sfeer en de Russen van Tsjechov nog maar eens terug ginds.’
‘Aan elk gedicht wordt ook echt heel lang gewerkt. Voor mijzelf is dat de kunst die ik mij opleg: om iets dat in heel toegankelijke taal geschreven is toch verschillende lagen mee te geven, zodat je bij tweede lezing nog iets anders uit het gedicht kunt halen. Soms is mij dat zelf niet meteen helemaal duidelijk; zo viel mij onlangs, tijdens het voorlezen voor een volle zaal, plots op dat de laatste regel van een bepaald gedicht -‘ik kon het brood niet slikken van spijt’-, niet sloeg op iets wat kort voordien in het gedicht verteld werd, maar op iets wat al in de tweede regel stond, en wat ook spijt kon oproepen. Die regel is bij toeval in een begenadigd moment op zijn plaats gevallen: soms valt je een woord te binnen omdat het rijmt en pas later krijgt het zijn lading en snap je waarom het juist is dat het daar staat – dat bedoel ik met begenadiging. Van die regel besefte ik pas tijdens het voorlezen wat hij betekende. Dan denk je dus: een gedicht is toch iets raadselachtigs, dat ik daar iets geschreven heb dat ik pas later ten volle zelf begrijp.’

Het stuk zoals het is verschenen kan je hier nalezen.