28 juni 1976
Gaea Schoeters komt, linkervuist eerst, ter wereld op de warmste dag in jaren. Een echte hondsdag, zoals dat in België heet. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat in deze tropische hitte mijn reismicrobe ontkiemd is.

29 juni 1976
Mijn moeder, die niet van overdreven hitte, onnodige bezorgdheid en zinnen die beginnen met een imperatief houdt, grist mij uit de couveuse, steekt mij onder haar arm en wandelt naar huis. Ook voor mij is het nu duidelijk: het gezag van een ander is maar zo groot als je het zelf maakt.

1977
Net zoals alle baby’s kan ik mij nu optrekken – een kunst die ik op latere leeftijd helaas verleer. Het liefst doe ik het aan de deurklink van de voordeur. Want buiten wacht de wereld!

1978
Mijn vader, die altijd het nuttige & het aangename probeert te koppelen, leest mij In de ban van de ring voor. Integraal. Weliswaar klagend dat ik er niets van begrijp. Maar een krakend cassette-bandje ontkracht die hypothese: ik kraai alleen bij passages over Zwarte Ruiters.

1979
Na Tolkien volgt Prokofiev. Peter en de Wolf voegen zich bij de andere schaduwen op het plafond. Meteen breid ik ook mijn woordenschat uit. ‘Waar wonen de wolven?’ ‘In Tsjechoslo…’ Polen was wellicht een makkelijker antwoord geweest, maar ik hou nu eenmaal meer van moeilijk. Hier is ontegensprekelijk mijn liefde voor het Oostblok ontstaan.

1983
Tijdens een tentoonstelling in ’s Hertogenbosch loop ik na het consumeren van een overdosis bruine schilderijen een kunstindigestie op. Koppig als altijd weiger ik vanaf nu nog één voet in een museum te zetten. Maar de ouderlijke macht grijpt in: vanaf nu hangt er elke maand een andere kunstposter tegenover mijn stoel in de eetkamer.

1985
Ik verdeel mijn aandacht tussen Catullus en Richard Feynman. Talen of exacte wetenschappen, entre les deux mon coeur balance…

1986
Drama. Ik heb de volledige kinderbibliotheek uitgelezen.

1989
Op een besneeuwde Karelsbrug in Praag maak ik mijn eerste revolutie mee. Een fluwelen weliswaar, maar daarom niet minder indrukwekkend. Het beeld van straten vol verbaasde en verdwaasde mensen, die de vrijheid als een aarzelende mus op hun vingertop proberen te vangen, zal me nooit meer loslaten.Terwijl in Berlijn de muur valt, sneuvelt in Parijs mijn leesblokkade. Anaïs Nin en Henry Miller openen de deur naar de ‘volwassenenliteratuur.’ Al blijf ik bij elk boekenwinkelbezoek een kinder- of jeugdboek kopen. Al is het maar omdat ik niet van hokjes & genres hou. En ook niet overdreven veel van volwassenheid. Mijn Peter Pan-slogan blijft hangen: ‘I refuse to grow up’.

1990
Ik struikel de wereld van de Oosterse krijgskunsten binnen. Wat eerst toeval leek, blijkt een blijvertje. Bujinkan laat me nooit meer los. En leert me en passent ook iets over doorzettingsvermogen. Zelfs als iets niet vanzelf gaat.

1992
Tegelijk met de liefde ontdek ik het bestaan van popmuziek. Het blijft een moeilijke verhouding, een culturele sok vol enorme gaten. Het resultaat is een totaal onvoorspelbare en vooral bijzonder eclectische smaak.

1993
De hartslag van de grootstad zuigt me naar zich toe. Een natuurlijke voorliefde voor havensteden brengt me naar Antwerpen. Want waar er kaaien en dokken zijn, vertrekken de schepen naar de rest van de wereld. Ze hadden me maar niet in slaap moeten zingen met Banana boat.Of met Don Giovanni, want in mijn studententijd verzamel ik ook genoeg liefdesverdriet om romanstof te hebben voor de rest van mijn leven. Werther? Kinderspel.Mijn eerste jeugdboek vindt geen uitgever en blijft in de schuif liggen. Misschien had ik er ook meer dan één moeten aanschrijven. Al doende leert men.

1997
Ik studeer af als tolk. ‘There’s nothing wrong with your languages, but you do have an attitude problem.’
Gelukkig had ik zelf ook al ontdekt dat ik wel dol ben op de stress van het simultaan-tolken, maar me enigszins beklemd voel in het bijbehorende glazen hok. Om van het Laura Ashley-pakje nog te zwijgen.

1998
En dus zoek ik de open ruimte op; ik word journalist. Gelukkig kan ik daarvoor steunen op dé belangrijkste levensles uit mijn tolkenopleiding: ‘Even if you don’t know what the f*** you’re talking about, keep smiling and bullshit your way through.’ Een nuttig devies, zeker als ik na een tijdje aan de slag ga bij underdog-zender VT4, waar we met een mini-redactie het VRT & VTM-nieuws proberen te beconcurreren. Binnen de kortste keren ben ik specialist in alles. Toch als ik me vijf minuten mag inlezen.Hier ergens koop ik ook mijn eerste motor. Daar hield ik al van toen ik nog met Playmobil speelde.

2003
Niemand ontsnapt aan de reality-tv. Van journalist word ik reporter, dan regisseur. Mijn passie voor fotografie doet me even twijfelen – moet ik het woord voor het beeld inruilen? Maar dan rinkelt de telefoon. Toeval of es muss sein?

2006
Of ik dat ben, die zeven jaar geleden een opleiding scenario volgde aan het RITS? En of ik zin heb om mee een fictie-reeks te schrijven? Zoiets kan je toch niet weigeren? Trouwens, ik heb altijd meer van de droom dan van de werkelijkheid gehouden.

2007
Maar soms liggen droom & daad wel erg dicht bij elkaar. In 2007 vertrek ik met Trui Hanoulle op mijn eerste Grote Reis. Zeven maanden op motor, door alleen maar moslimlanden. Als ik terugkom, is mijn wereldbeeld veranderd. Of misschien zijn het mijn ogen.

2008
MMM, Meisjes, Moslims & Motoren, wordt mijn eerste echte boek. Een reisverhaal met heel veel beelden. Tegen de verzuring, en stiekem ook om zelf het superheldengevoel nog niet te moeten loslaten. Hoewel zo’n reis eigenlijk niet eens zo moeilijk is.

2009
Ann-Sofie Dekeyser verleidt mij tot een journalistieke reis naar de Balkan. Er is geen ontkennen aan, diep in mij woont nog steeds een journalist. Gelukkig vindt die snel een perfecte fauteuil – bij de Standaard der Letteren.

2010
Reizen heeft me geleerd dat je de tijd moet nemen om de dingen te doen die je echt belangrijk vindt. Halfweg 2010 zet ik de buitenwereld een jaar on hold om Diggers te schrijven. Het project loopt een tikkeltje uit de hand, en resulteert in een beest van een boek.Halfweg het schrijfproces klopt een nieuw verhaal aan het venster van mijn schedeldak.
Deze keer leg ik mezelf strenge beperkingen op: kort zal het zijn, kort en beknopt.

2013
Mijn nieuwe boek, dat een korte novelle van 80 pagina’s ging worden, beslist daar anders over. Het worden twee novelles en een proloog, die samen een roman vormen over heimwee naar iets dat niet meer bestaat.

2014
De kunst van het vallen verschijnt bij de Bezige Bij. Op de boekvoorstelling laat ik me ontvallen dat dit het eerste deel is van een trilogie over grote en kleine liefdes. Weet ik meteen weer wat gedaan.

2015
Het leven loopt niet altijd zoals je het verwacht, en vaak -dat leerde ik op reis- is het onverwachte het mooiste. Dus als componiste Annelies Van Parys me vraagt of ik zin heb om het scenario voor haar opera Private View te schrijven, moet ik wel ja zeggen. Intussen speelde Private View al zo’n 15 keer in heel Europa. En met muziektheater ging een nieuwe wereld open, waarin veel dingen waar ik van hou samen komen. Gaan we nog doen, was de conclusie.

2017
Wordt dus een druk jaar. Met twee nieuwe muziektheatervoorstellingen en een lied, waarvoor ik voor het eerst in jaren een gedicht schreef. Dat mag weer, nu ik veertig ben. Net als die tweede roman. En intussen blijf ik in De Standaard regelmatig tegen de schenen van de wereld schoppen. Iemand moet het doen, in deze tijden.