retorderie schoeters – solo performance – 2016 (NL)

Een solo-performance over het vertellen van verhalen.

Wat vooraf ging…
Of ik iets wilde doen in het Stem. Een half uur. Om het even wat.
‘Om het even wat?’
‘Ja. Als het maar een half uur is.’
(Ik heb geen idee wat. Hoezo iets? Welke iets? Iets doen? Nou ja, ik doe wel iets. Dan.)
‘Euh – ja dan?’
En of ik dan even wilde komen kijken in het museum iets te kiezen dat paste bij mijn iets.
‘Euh – ja dan?’
(Welke iets? Ik had neen moeten zeggen. Waarom zeg ik toch altijd ja?)

Daar stond ik dus. Voor het museum. Met de opdracht op zoek te gaan naar iets dat paste bij iets, waarvan ik nog niet wist wat het zou zijn.

Algauw werd duidelijk dat de wandeling door het Stem een venijnige valstrik was. Want dat ze ongewild ook een wandeling door mijn jeugd, mijn kindertijd en mijn geschiedenis was. Het was er allemaal. De Stad. De Partij. De Fabriek. Alles. Er was geen ontsnappen aan het verleden.

Er valt nooit te ontsnappen aan het verleden. Elke schrijver die beweert dat hij niet autobiografisch schrijft, liegt. Het hangt er maar vanaf hoe goed je het verbergt. Maar we schrijven allemaal vanuit onze geschiedenis. Wie we zijn. Hadden willen zijn (of net niet). De grens tussen fictie en realiteit is flinterdun. Altijd. Ook in de werkelijkheid.

Want meer nog dan in mijn eigen verleden, dat (behalve voor mijzelf) matig interessant is –al praat Sint-Niklaas graag over wat het hoort in haar straten en zoemt de markt, hoe groot ook, vaak van de geruchten- vond ik in het museum, geheel onverwacht, de voetstappen van de schrijver terug.

Hier  was het dus begonnen. En daar. En zo. En daarom.
Wel wel.
Dat had ik nooit gedacht.
Daar viel iets mee te doen.
Dacht ik.
En dus koos ik een iets dat bij dat iets paste.
Waar u naar kan kijken, terwijl ik straks vertel.

 

En wat zal volgen…

Voor wie na het lezen van het bovenstaande niet weet wat te verwachten: ik weet ook nog niet wat het gaat worden. Zo gaat dat met verhalen. Het enige dat ik kan zeggen is dat het begint met een tuit wol, waaraan hopelijk een los eindje zit. Daar plan ik aan te trekken, tot er iets losschiet. Of ik vergeet dat eindje weer en laat het liggen. Omdat iets anders mijn aandacht trekt. Waarna, altijd, een tijdje later blijkt dat die rode draad het ene met het andere verbindt. Vanzelf. Zo schrijf ik mijn verhalen.

Dat is, denk ik, wat ik u ga vertellen: hoe mijn schrijven werkt. Maar met een omweg. Zoals het schrijven zelf altijd een omweg is en het ons brengt bij dingen waarvan we dachten dat we ze al lang vergeten waren. En dan, tenslotte, als we het min of meer begrepen hebben, u en ik, hoe zo’n verhaal ontstaat, lees ik iets voor uit een verhaal in wording dat nog geen daglicht zag. Want omdat alles altijd klopt, vond ik –ik kon het bijna niet geloven – in het depot van het museum de kanarie terug waarover ik nu aan het schrijven ben. Ik stel hem aan u voor. Straks. Maar voor wie nu al wil weten hoe het straks afloopt: hij heet Jimmy.

Share