Het einde van Ignaas Devisch #DSLetteren

12/01/2018, DSLetteren – “Hoe ik mijn dood zie? Mooie vraag. Een beetje zoals Socrates misschien, die, de gifbeker al in de hand, toch nog met zijn omstaanders in discussie ging. Dat gif hoeft niet, maar de bekers en de vrienden mogen wel in de buurt zijn: met een glas wijn in de hand een laatste gesprek voeren met de mensen waarmee ik mijn leven heb gedeeld en dan zachtjes verdwijnen, dat lijkt me wel mooi. Een soort laatste avondmaal met eten, drinken, boeken, hoop. Maar misschien is dat net te heroïsch om waar te zijn.”

“Volgens mij is het wel het mooist als dat feest plaatsvindt zonder dat je beseft dat de dood al staat te wachten, anders rust er teveel druk op dat laatste gesprek. Het is fijner als hij je op een onbewaakt moment komt halen; het lijkt me verschrikkelijk te weten dat je laatste dag de laatste is, want dan moet alles fantastisch zijn, terwijl ik het dagelijkse leven in al zijn eenvoud net het interessantste vind. Ik stel me mijn laatste dag dan ook niet voor als een aaneenschakeling van extatische momenten, maar eerder als een doorsnede van een gewone dag. Nog even van het leven en het samenzijn met anderen genieten, en dan mag het afscheid komen.”

“Het overlijden van mijn moeder heeft mij in die zin sterk geraakt. Zij is, na een lange strijd, gestorven aan kanker. Enerzijds was dat mooi, want daardoor heeft ze nog heel wat mensen bij zich kunnen roepen om te zeggen wat er gezegd moest worden, anderzijds waren die dagen ook erg zwaar voor haar en voor ons, precies omdat ze zo intens waren. Die balans is moeilijk: wie in zijn slaap sterft, ziet niet af, maar afscheid kunnen nemen is wel erg waardevol. Er is dan ook geen ideaal scenario: elk ziekteproces brengt lijden, pijn en verdriet met zich mee. In het sterven zit de tragiek van het leven onvermijdelijk verweven. Je kan wel in schoonheid afscheid nemen, maar mooi is het nooit, want je verdwijnt en dat is barre ellende.”

 

“Het leven is inherent tragisch, want het eindigt altijd slecht. We zullen nooit kunnen vermijden dat er altijd lijden zal zijn, alle medische technologie ten spijt. Dat is onze grote culturele worsteling: die balans tussen autonomie en heteronomie, zelfbeschikking en afhankelijkheid. We hebben nu eenmaal niet alles in de hand. Waarom krijgt de ene een ongeluk en wordt de andere honderd? Daar hebben we geen antwoord op. Een cultuur die die tragiek goed beseft, moet dat ook aan haar bewoners duidelijk maken. We zouden onze controledwang beter wat loslaten en aanvaarden dat we, als het erop aankomt, eigenlijk weinig in de pap te brokken hebben. De gedachte afhankelijk te zijn van omstandigheden die we niet onder controle hebben is een belangrijk onderdeel van het leven. Onze huidige maatschappij propageert vooral het principe ‘hoe meer controle hoe beter’ – dat tekent zich ook in onze omgang met de dood. En ik weet niet zeker of we daar gelukkig van worden.”

“We proberen de dood zo ver mogelijk uit ons huis en ons leven te houden, omdat we bang zijn om letterlijk met de dood geconfronteerd te worden. Die confrontatie is inderdaad zeer hard, maar ik zie niet in waarom we haar zouden moeten verbannen. Mijn moeder stond erop dat ze thuis zou overlijden, voor haar was het cruciaal dat ze haar laatste momenten door zou brengen daar waar ze geleefd had. Voor haar was het troostend dat ze bij haar einde niet weggestopt moest worden in een ziekenhuis. Daar kan ik haar in volgen, ook al is dat hard. Maar ik weet niet of de zachte dood bestaat. Het blijft wat het is: een heel brutale inslag in het leven.”

“Ik was veertien toen ik voor het eerste een vriend verloor, aan kanker. Die confrontatie met de eindigheid, in volle puberteit, als je aan alles denkt behalve aan de dood, was een ongelofelijke shock voor mij. Het heeft lang geduurd voor ik bekomen was van het gevoel dat je zo uit leven kan worden weggerukt. En dat de dood zich niet bezighoudt met de rechtvaardigheidsvraag. Goede mensen leven niet langer, slechte niet korter. Er zit in natuur niets dat dingen eerlijk verdeelt.”

“En komt de dood niet altijd te vroeg? Is het leven ooit af? Je kan hooguit op een bepaald moment denken: ik heb kunnen proeven van de dingen die ik wou. Ik zal geen nieuwe grote gebeurtenissen meer meemaken, alles zal op de vorige lijken. Op dat punt is het misschien ‘af’, maar volgens mij komt die gedachte alleen bij je op als de dood al vlakbij is. Anders leg je je daar niet bij neer, en ga je toch op zoek naar nieuwe zaken. Als ik nu zou moeten sterven, zou ik dat wellicht verschrikkelijk vinden, want ik ben nog met massa’s boeiende dingen bezig en ik wil mijn kinderen nog op weg helpen. Maar bon, het is wat het is. Ik heb geen historische missie te vervullen heb, het is niet zo dat nog twintig jaar moet meegaan en de mensen dan pas zonder mij kunnen.”

“Wat er na mijn dood van mij moet worden? Ik heb meer vertrouwdheid met een graf, van al wat overblijft, is dat het mooist. Daar hoeft niets op te staan; ik zou het triest vinden als je mijn leven in één zin kan samenvatten. Eigenlijk heb ik over mijn begrafenis nog nooit nagedacht, maar als ik zou horen dat het bijna zover is, zou ik wel wat inspraak willen in de voorbereiding, ja. Alle schrijvers en filosofen lijden aan mededelingsdrang: denken dat we vanalles moeten zeggen aan de wereld. En een begrafenis is een moment van enorme focus: als mensen afscheid nemen, wordt er scherp geluisterd en de woorden die dan worden uitgesproken worden lang onthouden. De dood een heel talig moment, waar spreken veel centraler staat dan in het leven zelf. We tateren hele dagen, maar alleen aan iemands laatste woorden wordt zoveel gewicht gegeven. Dus ja, daar schrijf ik wel nog een A4-tje voor.”

“Verder denk ik bij de dood vooral aan één vers van Pessoa: ‘geef me nog wat wijn / want het leven is niets.’ Dat klinkt misschien macaber, maar ik vind het een mooi uitgangspunt: er is geen metafysische betekenis aan het leven zelf, dus dan kunnen we net zo goed een goed glas wijn drinken, met elkaar spreken en elkaar ontmoeten. Als dat niet bevrijdend is.”

“Mijn dood mag dan ook vrij gewoontjes zijn. In die zin ben ik een Camus-fan: het leven is absurd en zinloos, je moet niet denken dat je daar iets aan kan veranderen. Ik ben daar nogal nuchter in: als je geluk hebt, word je nog door twee generaties herinnerd, en dan is het voorbij. Dan ben je een vreemde man op een portret in een kader. Weliswaar eentje die nog per ongeluk een paar boeken heeft geschreven, maar meer niet. Veel schrijvers dromen van eeuwige roem, maar die reflex is mij vreemd: zelfs Hugo Claus is voor 14-jarigen al een dood begrip.”

 

Het stuk zoals het is verschenen, kan je hier nalezen.