het einde van maria vlaar #DSLETTEREN

DSLetteren — “De dood is nogal tegenwoordig in mijn leven. Niet alleen omdat mijn ouders stilaan erg oud worden en ik hen steeds brozer zie worden, maar ook omdat mijn man een paar jaar geleden is overleden. Daar kan je niet omheen, dan denk je ook na over je eigen dood.”

“Eerder al, zo’n tien jaar geleden, heb ik een hersenbloeding gehad, een aneurysma in mijn hoofd knapte. De vorm die ik had is zwaar: de helft van wie het overkomt sterft meteen, een kwart sterft in de weken daarna. Van de overlevenden is een groot deel (ernstig) gehandicapt. Ik ben nagenoeg ‘streeploos opgedroogd’ zoals ik altijd lachend zeg; humor is zo belangrijk in onze omgang met de dood. Ik heb een jaar over het herstel gedaan. Kon in het begin niet lopen, niet lezen… maar daarna lukte gelukkig alles weer. Ik weet nog dat ik in een van de eerste nachten op de Intensive Care voor mijn gevoel aan het ravijn van de dood stond. Toen ik daaruit kwam, was er een sterk besef dat vanaf dan alle dagen extra waren. Ik was ook niet bang voor de dood geweest. Wel voor mijn gezin: mijn man en kinderen waren banger dan ik. Dat mijn kinderen vijf jaar later ineens hun vader en ik mijn man verloren, heeft mij nogmaals de ogen geopend voor de ongerijmdheid van de dood. Die komt en gaat naar eigen inzicht.”

“De gedachte dat je de dood kunt regisseren en ervoor kan kiezen een zachte dood te sterven, is naar mijn gevoel een te rooskleurige voorstelling van zaken. Natuurlijk hopen we dat allemaal, iedereen wil het liefst zachtjes omringd door familie wegzakken op de bank, maar in de praktijk is de dood veel harder, heb ik gemerkt, en veel pijnlijker. Ook als je oud bent. Mijn man was jong toen hij stierf, totaal onverwachts en in een klap, aan een hartstilstand, dus we hebben geen afscheid kunnen nemen, maar eigenlijk is dat best een mooie dood, want je voelt het zelf niet, dus moet je ook niet verdrietig zijn. Maar ik heb ook weleens naast een stervend iemand gezeten: ook als je wel aftakelt en ziek bent, is sterven iets erg heftigs.”

“Me verzetten tegen de dood zou dom zijn. Ik zou het niet erg vinden om te sterven, ik ben er niet bang voor. In mijn verhalenbundel Diepe aarde staat een verhaal, De tent, over een oude vrouw die op sterven ligt. Dat is ontstaan in een flat aan zee in de buurt van Oostende; ik vroeg me af wat er zou gebeuren als je daar zou doodgaan, wat je nog zou zien van de wereld. Ik heb het verhaal in de toekomst geplaatst, er zijn dijken gebouwd op het strand om de zee tegen te houden, maar vanuit haar bed kan die vrouw, die niet meer kan bewegen, daar nog net overheen kijken. Ze leeft alleen nog in haar herinneringen, zoals dat vaak gaat als mensen bijna bij hun einde zijn aangekomen. Dat is ook iets wat de dood doet: je herinneringen weer tot leven brengen. Net zoals een schrijver in zijn hoofd een verhaal maakt, kan je uit je herinneringen fictie maken van je leven en zo even aan de naderende dood ontsnappen.”

“In het tweede verhaal van de bundel, De ongeborene, komt een kind ter wereld, waarvan we enkel weten dat het, als het een meisje wordt, Fanny zal heten; dat is ook de naam van die stervende vrouw in het laatste verhaal. Ze zouden dus hetzelfde personage kunnen zijn. Of dat zo is of niet laat ik aan de lezer, maar wat zeker is, is dat ongeboren zijn ook een vorm van dood zijn is. Ook met die gedachte heb ik gespeeld in de bundel: voor de dood hoef je niet banger te zijn dan voor ongeboren zijn, het is een zelfde staat van niet-zijn. Al houden mensen natuurlijk wel vast aan hun herinneringen, maar eenmaal dood verdwijnen die ook.”

Wachten is dan weer geschreven vanuit het perspectief van iemand die overleden is, en vanuit de dood tegen zijn geliefde spreekt die hij op aarde heeft achtergelaten. Een soort Orpheus en Eurydice, want als de ene dood is en de andere nog leeft, kan je elkaar niet meer bereiken, maar in dat verhaal fantaseer ik dat de dode nog denkt aan de overlevende. Zo kan je met verhalen de dood een beetje overwinnen en naar je hand zetten, net zoals in dromen: veel mensen dromen dat een dode van wie ze hielden terugkomt of tegen hen spreekt. Als je twijfelt aan de realiteit of de wereld een wonderlijke bedoening vindt, dan is een verhaal of een droom net zo werkelijk als wat wij de realiteit noemen. Dus zo kan je de dood op een bepaalde manier te woord staan.”

“Schrijven is zeker een manier om met sterfelijkheid om te gaan. Wat er nadien komt, zal ik geen weet van hebben: de onsterfelijkheid van de schrijver is een 19e eeuws idee en eigenlijk vooral egostrelerij, daar geloof ik niet in. Natuurlijk zijn er veel schrijvers die na hun dood nog gelezen worden, maar ze voelen het niet, dus wat levert het hen op? Ik ben de biograaf van Joost Zwagerman: die was bij leven al erg succesvol en veel gelezen, en toch heeft dat hem er niet van weerhouden uit het leven te stappen. Gelezen worden kan je leven nooit zoveel waarde geven dat je de dood ermee overwint.”

“Natuurlijk blijft er wel iets van mij hangen in mijn verhalen: er zit veel van mezelf in. Niet in autobiografische zin: de personages of gebeurtenissen lijken niet op mij of zijn me niet overkomen, het is echt fictie, gefantaseerde verhalen, maar zoals elke schrijver heb ik voor bepaalde gevoelens of details geput uit mijn eigen ervaringen, dus mijn eigen leven trilt mee. Ik heb de bundel opgebouwd volgens de leeftijd van de personages: ze worden steeds ouder. Dat heb ik bewust zo gedaan omdat ik alle levensfases wilde tonen die in ons leven voorkomen: van het idealisme waarmee je begint aan een gezin en het opvoeden van kinderen tot de latere, onvermijdelijke fases vol teleurstellingen en verdriet. Die botsing tussen idealisme en teleurstelling die je later in je leven altijd oploopt, is een algemeen menselijke wet.”

“Dat we sterfelijk zijn, is me voor het eerst duidelijk geworden door het sterven van mijn overgrootmoeder. Ze woonde bij ons in het dorp in het bejaardentehuis, en ik ging na school altijd bij haar langs; ik was nogal een allenig kind dat niet bezig was met vriendinnetjes. Wat ik me goed herinner, is dat haar huid langzaam perkamenteerde, tot het, als ik haar kuste, bijna voelde als papier kussen in plaats van een wang. Ze is heel rustig gestorven, ze stopte met eten en drinken en zakte weg op een paar weken tijd, dat werd toen ook gewoon toegestaan, dat was haar einde. Daarna ging ik altijd naar de boerderij tegenover ons huis, waar een boer en boerin zonder kinderen woonden, en waar ik hielp met de geboorte van de lammetjes en de stal uitmesten. Daar stierven natuurlijk de hele tijd dieren; de doodgeboren lammetjes gingen gewoon de mestvaalt op, dat zal nu ook wel niet meer mogen. De kalveren en lammetjes die verstoten werden, probeerde ik met de fles in leven te houden, wat soms wel en soms niet lukte. Die twee tegenpolen waren mijn eerste confrontatie met de dood; ik was toen een jaar of acht.”

“Elk jaar zocht de boer een koe uit, dat heb ik in een ander verhaal beschreven, die dan naar de slacht ging en waar het hele jaar van gegeten werd. Hij kende ze allemaal bij naam, want het waren de jaren ’70, toen had je nog kleine boertjes met een stuk of vijfentwintig koeien. Een week later kwam die koe in stukken terug, en samen met de boerin legde ik die in de keuken uit op plastic om ze in te wikkelen en in te vriezen, en de hele tijd zag ik die koe voor me, en dacht ik: ‘Dat was Klasina de dertiende.’ Dat beeld, van die koe, uitgespreid in stukken vlees op de vloer, is me erg bijgebleven, als beeld van de dood.”

“Heel anders benader ik de dood in mijn verhaal Het pad van licht: dat gaat over een sekte, en de twee vrouwelijke personages hopen dat ze als ze doodgaan over dat beroemde pad van licht de hemel zullen ingaan. Dat is een religieus symbool, opgenomen worden in een goddelijk verbond, maar het is natuurlijk een illusie: we gaan niet de hemel en het licht in, dat kan je alleen maar begrijpen als een metafoor voor rust. We gaan de grond of het vuur in. De gedachte dat er na al onze dagelijkse beslommeringen een soort licht op je wacht, een staat van rust, is een heerlijk idee, waar ik ook wel voor voel, maar de realiteit is veel aardser en zwaarder. Ook het doodgaan zelf is eerder geploeter dan opgaan-in-het-licht.”

“Over de dood van mijn man heb ik ooit een stuk geschreven waarin ik het woord ‘vroegdood’ heb uitgevonden, naar analogie met vroeggeboorte, voor iemand die te vroeg sterft. Zo vroeg heengaan voelt onnatuurlijk, dus in die zin wil ik zelf het liefst zo lang mogelijk leven en op mijn zesennegentigste op een zonovergoten dag van het ene op het andere moment liggend op de bank wegvlieden, maar dat is idealisme. Wellicht is het realistischer te denken dat ik dement zal worden zoals mijn moeder nu, en vrees dat ik aan het lijden ben. Het is niet de dood die we moeten vrezen, maar wel het lijden, en als je daaraan kan ontsnappen door vroeger dood te gaan dan je lichaam zou kunnen uithouden, zou ik daarvoor kiezen. Maar het woord kiezen is eigenlijk niet juist: ik denk dat je niet zoveel te kiezen hebt, als het over je eigen dood gaat. Dat besef is na de dood van mijn man ingedaald, die wilde helemaal niet dood; hij was net erg levenslustig, had een wild leven en allerlei plannen. We kunnen wel denken dat wereld maakbaar is, maar misschien is het realistischer en minder pijnlijk te geloven in het lot.”

“In mijn verhalen komt een boel leed en dood voor, maar ook veel humor; je moet op een humoristische manier omgaan met al het leed dat wij ervaren. Ik ben een grote voorstander van proberen om er woorden voor te vinden, en het zo begrijpelijk en behapbaar te maken. Het leven biedt speelsheid, en die moet je gebruiken, ook als je over de dood schrijft.”

“Julian Barnes schrijft in Hoogteverschillen, dat hij schreef na het overlijden van zijn vrouw, dat er zoiets is als de keerkring van het verdriet. Eenmaal je daar overheen bent, kan je niet meer terug, niet als overledene, niet als rouwende. Dat vond ik een heel mooi woord: het is een keerkring, je zou denken dat je terug kunt, maar niet dus — ook dit is een soort Orpheus en Eurydice-achtig beeld: iemand kan niet terugkeren uit de dood, maar ook de rouwende kan niet meer terug naar de situatie waarin je denkt dat het leven nog heel is, er kan hooguit aanvaarding ontstaan. Dat vind ik een mooie manier van omgaan met de dood. Als je je de hele tijd blijft verzetten tegen iemands dood, of tegen je eigen dood, word je diepongelukkig. Leg me het woord acceptatie niet in de mond als het over de dood van een geliefde gaat, dat is een veel te makkelijk woord, maar je moet wel aanvaarden dat je de keerkring van het verdriet over bent en niet meer terug kunt. Dan pas kun je verder.”

 

Het stuk zoals het is verschenen, kan je hier nalezen.